welkom!

Welkom op mijn blog over muziek, kunst, cultuur, de wereld en het universum. Mijn manier om zaken waar ik het mijne over denk over het voetlicht te brengen zonder geplaagd te worden door redactionele beperkingen of APA-formats. Een proeftuintje voor proefballonnetjes. Publiek denken.

Abonneer je via email. Volg me op Twitter - @EvertBBoele. Laat een reactie achter. Neem contact op.

Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License.

30 maart 2021

Lezen of denken?

Lang geleden studeerde ik een tijdje filosofie. We hadden een hoogleraar wetenschapsleer die een beetje vreemd was. Het verhaal ging dat hij tijdens colleges de deur op slot draaide zodat hij zeker wist dat niemand voortijdig de zaal verliet. Ik heb colleges bij hem gevolgd. Nooit tentamen gedaan, geloof ik. Waar dat aan lag weet ik niet meer.

Ik herinner me dat hij op een gegeven moment zei dat we ons, als filosofen in doppen, oprecht zorgen moesten maken als we meer tijd besteedden aan lezen dan aan nadenken. Je moet meer tijd besteden aan het bedenken van je eigen denkbeelden dan aan het lezen van andermans denkbeelden.

Dat is een buitengewoon onvoorzichtige tip voor iedereen die een academische carrière nastreeft. Als academicus moet je immers laten zien dat je op de schouders van je voorgangers staat. Je moet weten welke kennis er al is, zodat je kunt 'werken aan de grenzen van het weten' zoals een Nederlandse universiteit pay-offt. Dus gaat er veel aandacht naar de literatuurverkenning, die liefst systematisch is. En is het toch altijd een beetje pijnlijk als je iets uitvindt dat al uitgevonden blijkt te zijn.

Dat was precies wat mij overkwam. Ik had bedacht, na lang nadenken (jaren), dat in het soort onderwijs dat ik voorsta (op subjectiveren gericht 'talentkrachtig' kunstonderwijs, maar dat doet er niet toe) eigenlijk maar drie dingen tellen: erkennen, ontmoeten en ontwikkelen. Toen gaf ik een gastcollege in een master-opleiding, en een student vertelde me na afloop enthousiast dat ze een boek kende uit het sociaal domein dat ging over talentgericht (!) werken met kwetsbare jongeren, en dat de ondertitel de woorden erkennen, ontwikkelen en verbinden bevatte.

Tsja.

Aan de ene kant denk je dan toch vooral van oeps. Waarom weet ik dat niet? Waarom heb ik dat boek niet gelezen? Waarom heb ik niet even mijn licht opgestoken in het sociaal domein? 

Aan de andere kant weet je het antwoord natuurlijk zelf wel: geen tijd voor gehad want te druk met zelf nadenken.

Ik weet eigenlijk niet wat nu het beste is. Ja, je moet veel lezen. Nee, je kunt onmogelijk alles lezen. Maar een ding weet ik wel zeker: je moet af en toe toch ook zelf nadenken. Ik krijg liever het verwijt bij het lezen iets gemist te hebben dan bij het denken.

En bovendien biedt de academische wereld dan ook weer troost. Er zwerven prachtige memes rond op internet over 'academia' (zoals wij academici ons holletje zo chique noemen). Zo is er een collage van onwaarschijnlijke voetnoten. En ik denk dat nummer vijf precies vat waar dit blogje over gaat. Ik hoop hem in de toekomst geregeld te gebruiken. En anders kan ik altijd nog mijn toevlucht nemen tot de laatste.

Afbeelding

04 maart 2021

Duurzaamheid na Corona?

Even een kattenbelletje over duurzaamheid. Dat duurzaamheid een belangrijk onderwerp is hoeft wat mij betreft geen betoog. Duurzaamheid is een breed begrip. Het gaat om ecologie en klimaat, natuurlijk. Maar ook bijvoorbeeld om sociale, economische en psychologische aspecten. 

Ik zie de duurzaamheidsvraag eigenlijk als niets anders dan de diachrone variant van de inclusiviteitsvraag. De vraag is: hoe gedragen we ons zo dat we deze wereld niet exclusief voor onszelf en onze eigen generatie houden, maar dat we toekomstige generaties includeren in ons handelen? Het gaat om inclusie van de toekomst in het heden. De duurzaamheidsvraag is daarmee de vraag naar toekomstbestendig handelen. Naar vormen van handelen die er op gericht zijn geen blijvende schade aan onze wereld aan te richten zodat ze in de toekomst gecontinueerd kunnen worden.

Die vraag is urgent. Nu Corona zoveel dingen heeft stilgelegd, vertraagd of veranderd hopen sommigen (ik bijvoorbeeld) dat ons dat de mogelijkheid geeft om even pas op de plaats te maken. Om ons af te vragen hoe we er voor kunnen zorgen dat de wereld na Corona niet al te sterk lijkt op de wereld voor Corona, qua duurzaamheid.

En met 'wereld' bedoel ik dan ook de cultuurwereld.

Maar dat gaat niet vanzelf. Kijk bijvoorbeeld eens naar de discussie over het nieuwe cultuurcentrum dat in de stad Groningen – mijn thuisbasis – moet verrijzen. Sinds 1973 kent de stad cultuurcentrum De Oosterpoort. De onderhoudskosten daarvan lopen op, de druk op het gebouw neemt toe, de overlast in de buurt door het bevoorradende verkeer evenzeer, en zoals dat tegenwoordig gaat is verbouwing dan al snel geen serieuze optie meer en wordt er gedacht aan nieuwbouw.

Inmiddels zijn de eerste plannen gepresenteerd. Het gebouw moet komen aan de zuidkant van het centraal station – bereikbaarheid per openbaar vervoer is in termen van duurzaamheid een absoluut pluspunt. Maar het gebouw moet wel veel groter worden dan het huidige. Het moet “een centrum worden voor onderwijs, amateurkunst en cultuureducatie”, en de capaciteit van de grootste zaal moet wellicht 3000 plaatsen worden in plaats van de huidige 1800. Kosten nieuwbouw: minimaal 145 miljoen euro.

Los van de vraag wat er precies duurzaam is aan het overbodig maken van een krap 50 jaar oud cultuurcentrum en het elders in de stad een nieuw en groter centrum bouwen – en dan bedoel ik zowel economisch duurzaam als ecologisch duurzaam – is de vraag vooral: waarom moet er een nieuw en groter centrum komen? Naast argumenten als ‘visitekaartje voor de stad’ en ‘het behouden van een plek bij de vijf belangrijkste Nederlandse cultuursteden’ gaat het vooral om het volgende: volgens dienstdoend wethouder Paul de Rook, een tijdje terug aan het woord in het Dagblad van het Noorden,

… is een nieuw muziekcentrum toch broodnodig, vooral om popartiesten van internationaal statuur naar de stad te kunnen halen. ”Popzalen in Nederland worden steeds groter, omdat artiesten zoveel mogelijk geld willen verdienen. Als grote internationale acts hier geen ruimte hebben, verliest de Oosterpoort de top van z’n verdienmodel en zakt de rest ook in elkaar."

Opvallend: de perceptie dat in de cultuursector de top de basis is (denk ook aan de verbazingwekkende term 'basisinfrastructuur' in ons cultuurbeleid). Als de top verdwijnt, zakt de rest ook in elkaar. Het argument voor die wethouderlijke waarneming is een economisch argument gekoppeld aan een passieve slachtofferhouding: topartiesten willen steeds meer geld verdienen, wij kunnen niet anders dan daarin meegaan. 

De cultuursector moet zich de vraag stellen of het duurzaam is om mee te waaien met die huidige politieke wind. Is duurzaamheid mogelijk in een laat-kapitalistisch neo-liberaal systeem waar het gaat om voortdurende groei en versnelling, om competitie, om 'winner-takes-all'-markten?

Ons meedraaien in dat systeem leidt er toe dat we in de cultuursector - althans in Groningen - inzetten op méér mobiliteit (meer concertbezoekers; meer duurbetaalde wereldsterren die met vliegtuigen van over de hele wereld worden aangevoerd om in Groningen te spelen) en méér mensen dicht op elkaar gepakt in één ruimte.

We weten dat onze ongebreidelde reislust een van de belangrijkste oorzaken van de huidige klimaatcrisis is. Maar we zetten in ons cultuurbeleid, gevoed door een marktgeoriënteerd supersterrensysteem, in op verdere versterking van die reislust. En we weten dat ons ongebreidelde reisgedrag gekoppeld aan onze neiging om in grote groepen bij elkaar te komen – iets wat wel moet omdat evenementen en locaties anders economisch immers niet uit kunnen – enorm heeft  bijgedragen aan het razendsnel uitgroeien van Corona tot een pandemie. Maar we zetten ons in ons cultuurbeleid in om in de toekomst nog meer mensen van nog verder weg bij elkaar te brengen.

Totaal ongerijmd.

Ik zou eenzelfde verhaal kunnen schrijven over de wens om het Groninger stadspark om te vormen van een regionale harddraverij naar een internationale evenementenlocatie voor groepen van het formaatje Rolling Stones. Of ik zou de voorbeelden kunnen uitbreiden naar andere steden. Aan de basis ligt de vraag: willen we doorgaan met een cultuursector die zich richt naar het idee dat het beste nooit goed genoeg is, dat groter nooit groot genoeg is, dat we ten koste van alles moeten groeien, en dat we bovenaan alle nationale en liefst mondiale ranglijstjes moeten staan? 

Of is het denkbaar dat we in ons denken over de toekomst van de cultuursector werk gaan maken van aandacht voor het kleinere, het regionale, het lokale? Zeker in een tijd waarin we leren dat digitalisering niet slechts een vloek is maar ook tot ongekende nieuwe mogelijkheden leidt, zouden we anders kunnen leren omgaan met toegang tot artistieke topkwaliteit. En als we niet steeds als een verwend kind het nieuwste en het beste willen hebben is het wellicht mogelijk om financiële middelen (bijvoorbeeld die 145 Groningse miljoenen) veel gedifferentieerder – en daarmee potentieel veel inclusiever – in te zetten.

Laten we Corona, die plaag die ons allen zo dwarszit, in ieder geval ook nog een beetje ten goede gebruiken door ons ook dit soort vragen te stellen. Anders weten we hoe het gaat: dan blijven we na Corona doen wat we voor Corona al deden, en krijgen we na Corona dus terug wat we voor Corona al hadden.

19 februari 2021

De veerkrachtige muzikale stad

Onlangs was ik ergens in een stad bij een bijeenkomst over het onderwerp 'de veerkrachtige muzikale stad'. We bespraken met een prachtige en in alle opzichten diverse vertegenwoordiging van het stadse muziekleven (muzikanten, podia, muziekorganisaties, onderzoekers, beleidsmensen) hoe we er voor kunnen zorgen dat het belang van het stadse muziekleven veel beter op het netvlies komt van het stadsbestuur.

We discussieerden aan de hand van het recente Music Cities Resilience Handbook, uitgegeven door de organisatie Sound Diplomacy. De directe aanleiding van het handboek is de Covid-19-pandemie, maar de boodschap is veel verstrekkender: "We want to rethink and reshape the role of music and culture in our cities, towns and places", zegt het handboek. En de auteur en CEO van Sound Diplomacy, Shain Shapiro, leidde de discussie in en ging daarna met ons in gesprek.

Zoals dat gaat in zo'n discussie komt er natuurlijk heel veel voorbij. Alles eigenlijk - van realistische beloning van muzikanten tot institutioneel racisme, van het belang van het buurthuis tot de macht van de multinationals in de muziekindustrie. Gelukkig ontstond er ook wel een focus: als we het hebben over de veerkrachtige muzikale stad, dan is het misschien verstandig dan ook het stadsbestuur als belangrijkste geadresseerde te zien. Niet dat het stadsbestuur de macht van een multinational kan breken of institutioneel racisme uit de weg kan ruimen, maar als in stedelijk beleid - gemeentelijk beleid dus - muziek in alle haarvaten opgenomen wordt is dat al een enorme omslag ten goede.

Wat mij een beetje dwars zit in de tekst van Sound Diplomacy is de nogal economische focus. Shapiro pleitte er bijvoorbeeld voor om bestuurders duidelijk te maken dat geld geven aan muziek - of aan kunst en cultuur in het algemeen - niet gezien moet worden als subsidie maar als investering. Ik ben het daar wel mee eens; maar het gevaar is dat we, als we bij dat economische discours aansluiten, vervolgens voortdurend bevraagd worden op de 'return on investment', en dat we in onze neoliberale kapitalistische samenleving nog meer dan we nu al doen toewerken naar een 'winner-takes-all'-systeem met een 'long tail' van organisaties en individuen die niet de winnaars zijn en voortdurend moeten strijden om het hoofd boven water te houden. Het muzikaal precariaat, zeg maar. Ik weet uit ervaring dat veel bestuurders en politici graag in deze voor-wat-hoort-wat-termen praten (ik sprak een tijd terug met een wethouder die zich alleen hard wilde maken voor kunsteducatie als ik met harde cijfers kon aantonen dat kunsteducatie goed was voor de CITO-scores op taal en rekenen), maar we moeten ons wel voortdurend blijven afvragen wanneer we meebewegen en wanneer we tegengas geven.

Wat ik fijn vond was dat Shapiro benadrukte dat 'genre agnosticisme' van groot belang is. Laten we het over muziek hebben. Punt. (Wat dan niet helpt is dat het handboek, wanneer het gaat over kwaadaardige -ismes zoals racisme en seksisme, ook verwijst naar 'classicisme'. Daarmee laad je toch een beetje de verdenking op je dat je de Franz-Josefs, Wolfgang Amadeussen en Ludwigs als representanten van de As van het Kwaad ziet, in plaats van dat je het hebt over het ongerechtvaardigd maken van onderscheid op grond van klasse - 'classism' in het Engels.)

Wat ik tekenend vond was Shapiro's pleidooi voor het instellen van een 'Music Office' ten burele van de gemeente; met een aantal 'music officers' die dwars door alle afdelingen van de gemeente heen voortdurend proberen muziek mee te nemen in de agenda's. Dus niet alleen de cultuuragenda, maar ook de economische agenda, de huisvestingsagenda, de ruimtelijke-ordeningagenda, de milieu-agenda en ga zo maar door. 'Music officers' die er voor zorgen dat de muziekwereld niet voortdurend naderhand zijn vinger moet opsteken en zeggen "Ik ben er ook nog" als er weer eens beleid tot stand is gekomen dat dat vergeten was; maar die aan de voorkant van de beleidsontwikkelingen het vingertje namens de muziekwereld opsteken.

En wat vooral tekenend was: dat zo'n Music Office, zo zei Shapiro in een bijzin, geen onderdeel moet vormen van een afdeling Kunst en Cultuur, of hoe die afdeling (of het thema, of het netwerk, of het domein, of het programma, of hoe een gemeente zich ook maar organiseert) ook heten moge. Feitelijk is de boodschap: ons huidige kunst- en cultuurbeleid slaagt er onvoldoende in zich te richten op een veerkrachtig muzikaal leven waarin muziek op genre-agnostische wijze wordt erkend als het allesdoordesemende en veelzijdige verschijnsel dat het is.

05 februari 2021

Overstort

Een nieuw blog.

Ik heb een aantal jaren regelmatig stukjes geschreven op mijn blog 'Everts World of Music'. Ik begon er mee toen ik aan mijn proefschrift werkte, als een vorm van publiek denken. Dingen die me opvielen, waar ik me mee bezig hield, meer of minder of soms helemaal niet aan mijn proefschrift gerelateerd, vonden een plekje: op de site, en uit mijn hoofd. Dat hielp, want hoewel ik meestal denk dat het adagium 'hoe voller een hoofd, hoe meer er nog in past' wel opgaat (evenals de tegenovergestelde formulering 'hoe leger een hoofd, hoe minder er in past'), een hoofd kan blijkbaar soms toch té vol raken. Mensen reageerden af en toe, dat hielp. Maar een aantal jaren en een kleine 200 bijdragen verder droogde de inspiratie op, of verdween de noodzaak.

Inmiddels ben ik dan toch weer in het stadium beland dat het hoofd soms te vol is van alles wat ik tegenkom. Omdat ik niet altijd de tijd en de zin heb om dat in gewichtige stukken om te zetten, creëer ik hier een overstort voor mijn hoofd (met excuses voor deze rioolgerelateerde metafoor). Ik wil die overstort, in mijn functie als van overheidswege betaalde denker en schrijver, in dit blog een beetje beperken tot mijn werk. Publiek denken is prima; maar wat privé is hoeft niet direct publiek besproken te worden. Ik richt me hier dus op mijn werkterrein: het brede gebied van cultuurparticipatie en cultuureducatie. Bij elkaar zijn die twee onderwerpen, althans in mijn uitzinnig brede opvatting er van, zo ongeveer de hele wereld, dus met die beperking kan ik nog wel even vooruit.

Vandaar dus dit blog. Het voordeel van een blog: je kunt schrijven wat je wil. Je kunt af en toe eens uit de heup schieten. En je mag af en toe ook eens mis schieten. Let maar op.

De vraag is dan vervolgens: wat wordt de eerste bijdrage? Zomaar met de deur in huis vallen met een lukraak gekozen, toevallig actueel onderwerp is een optie. Maar ik heb bedacht dat ik nu eerst misschien even een glimp moet laten zien van hoe ik zo in het algemeen tegen onze wereld aankijk, en wat me zoal bezighoudt. Ik doe dat dan maar even naar aanleiding van een paar kernwoorden. Totaal onvolledig, maar dat vul ik dan de komende tijd wel weer verder aan.

Eerst mystiek. Ik parafraseer even een regel uit een liedje van de Amerikaanse singer-songwriter Danny Schmidt:"I'm a mystic in the sense that I'm still mystified by things." In die zin dus mystiek: dat je je voortdurend verwondert over het mysterie van 'life, the universe and everything'. En ik geef ook graag weer even het citaat mee van een van mijn favoriete auteurs aller tijden, Marilynne Robinson, een citaat dat ik als motto in mijn proefschrift opnam:

I have been thinking about existence lately. In fact, I have been so full of admiration for existence that I have hardly been able to enjoy it properly. As I was walking up to the church this morning, I passed that row of big oaks by the war memorial – if you remember them – and I thought of another morning, fall a year or two ago, when they were dropping their acorns thick as hail almost. There was all sorts of thrashing in the leaves and there were acorns hitting the pavement so hard they'd fly past my head. All this in the dark of course. I remember a slice of moon, no more than that. It was a very clear night, or morning, very still, and then there was such energy in the things transpiring among the trees, like a storm, like travail. I stood there a little out of range, and I thought, It is all still new to me. I have lived my life on the prairie and a line of oak trees can still astonish me. (Marylinne Robinson, Gilead. New York: FSG, 2004, pp. 56-57.)


Dan 'agency', een niet goed vertaalbaar woord uit de sociale wetenschappen dat aanduidt dat de mens handelingsruimte bezit. Je kan keuzes maken. Misschien is het wel 'vrije wil'. 'Things could have been otherwise'. En daaraan gekoppeld het vermoeden dat de basale richting van handelen van mensen positief gericht is. 'De meeste mensen deugen'. Wat dat deugen dan is, dat weet ik niet precies; en ook niet waarop je dat vermoeden dan grondt. Maar ik houd er van te denken vanuit een basaal soort vertrouwen in individuen.
 
Tegelijkertijd speelt het tegendeel van 'agency' een belangrijke rol. In de sociale wetenschappen is dat 'structuur'. De speelruimte van een individu is niet oneindig - een individu is ten principale een gesocialiseerd individu, en socialisatie heeft altijd een richting. We hangen aan elkaar van ideeën over 'hoe we dat nu eenmaal doen', en in de praktijk doen we dingen ook voortdurend 'nu eenmaal zo'. Vandaar, bijvoorbeeld, mijn belangstelling voor de Theory of Practice, die, in de woorden van een van mijn favoriete wetenschappers, de cultuursocioloog Andreas Reckwitz, focust op cultuur als 'gedeelde en betwiste manieren van doen en van praten'. En vandaar ook mijn interesse voor macht: structuur is ook altijd een machtsstructuur, en veel van onze 'agency' wordt aanzienlijk ingeperkt door allerlei dominante ideeën dat we dingen 'nu eenmaal zo doen' en dat dingen 'nu eenmaal zo zijn'. Structuur is nodig - want het structureert ons leven; maar laten we niet vergeten dat structuur niet iets is wat 'nu eenmaal zo is', maar iets wat we met zijn allen doen.

En tenslotte diversiteit. Ik houd van de oneindige diversiteit van onze wereld. Mensen, dieren, dingen; woorden, zinnen, verhalen; koud, lauw, warm, heet; nat, droog; hard, zacht, onhoorbaar; wonderbaarlijk. Dat geldt ook voor mensen - al die anderen die zo op mij lijken en toch zo van mij verschillen, vaak tot op het totaal onbegrijpelijke af. En dan toch proberen dat te begrijpen, of op zijn minst te accepteren dat anderen onbegrijpelijk kunnen zijn maar daarom niet minder de moeite waard. Accepteren dat je niet het centrum van de wereld bent. Het valt niet mee, hoor; maar we doen ons best. Aan diversiteit wordt tegenwoordig graag het woord inclusie gekoppeld. Dat klinkt mij nogal bezitterig in de oren. Ik ben zelf meer gecharmeerd van een koppeling aan het muzikale idee van de meerstemmigheid.

Tot zover deze korte geloofsbelijdenis. Nu maar hopen dat wat er vervolgens op dit blog terecht komt daar een beetje mee in lijn is. Of dat zo is laat ik graag aan jullie oordeel over.