welkom!

Welkom op mijn blog over muziek, kunst, cultuur, de wereld en het universum. Mijn manier om zaken waar ik het mijne over denk over het voetlicht te brengen zonder geplaagd te worden door redactionele beperkingen of APA-formats. Een proeftuintje voor proefballonnetjes. Publiek denken.

Abonneer je via email. Volg me op Twitter - @EvertBBoele. Laat een reactie achter. Neem contact op.

Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License.

14 april 2021

Vals zingen moet.

Een hele tijd geleden ging de discussie in muziekonderwijsland weer eens over hoe ontzettend belangrijk het is dat alle kinderen een muziekinstrument leren bespelen. Ik weet niet meer wat de reden was. Waarschijnlijk omdat het goed was voor "het brein", dat gouden kalf van onze tijd.

 
 
Ik begrijp dat soort ideeën niet zo goed, omdat ik weet dat naar schatting 80% van de Nederlandse bevolking een volwaardig en geïnspireerd muzikaal leven leidt zonder actief te musiceren. Moeten we die mensen zien als muzikale mislukkingen? De dropouts van ons muziekonderwijs? Breingemankeerden? 
 
Ik schreef toen een stukje in Trouw met als strekking dat het misschien bereikbaarder was om eerst maar eens wat meer te zingen in de klas voordat we onszelf opzadelen met het gedoe van het uitreiken van accordeons, ukeleles en neusfluiten op basisscholen. Ik heb er op zich niets op tegen, maar het lijkt me nou niet bepaald de essentie te raken van een weloverwogen visie op wat schools muziekonderwijs bijdraagt aan de opvoeding van leerlingen tot oppassende burgers van onze samenleving.

Sindsdien sta ik bij sommigen bekend als de pleitbezorger van zingen in de klas.

Eigen schuld natuurlijk. Ik wilde vooral bepleiten dat we niet zo moeten focussen op die instrumenten. Maar nu focuste ik dus zelf op zingen. Volgens anderen.

Inmiddels dreigt de volgende stap genomen te worden in de totale desinformatie over wat ik nu eigenlijk bepleit. En het is weer volledig mijn eigen schuld. Ik hield onlangs een online verhaaltje over hoe je naar muziekonderwijs op de basisschool zou kunnen kijken. Onderdeel daarvan was dat ik zei dat niet één persoon verantwoordelijk is voor "de" muzikale ontwikkeling van de leerling, maar dat onderwijs kansen moet bieden aan leerlingen om allerlei soorten van muzikale ontwikkeling door te maken, en dat uiteindelijk leerlingen zelf kiezen wat voor hen relevant is. En dat dat, bij gebrek aan Superpersoon (ik weet hoe het hoort), nooit allemaal door één leerkracht ondersteund kan worden. Muziekonderwijs is de verantwoordelijkheid van een systeem, niet van iemand. En in dat systeem zitten allemaal heel verschillende 'iemanden'. En bij wijze van voorbeeld zei ik dat het niet zo erg is als een van die iemanden dan een beetje vals zingt. En dat een beetje vals zingen altijd nog beter is dan helemaal niet zingen, zodat leerlingen weten dat wij in een tolerante samenleving leven waarin een beetje vals zingen gewoon een optie is.

Toen werd ik gebeld door de krant. Het Friesch Dagblad ditmaal, ik verschijn vooral in confessioneel georiënteerde kranten, wat ongetwijfeld terug te voeren is op mijn achternaam. De journalist schreef een leuk verhaaltje. En de koppenmaker verzon een leuke kop:
 

Muziekonderwijs is meer dan noten lezen: ,,Het zingen mag best een beetje vals zijn”

 
Ik bereid me nu voor op het afsluiten van mijn carrière (voor zover er al sprake is van een carrière, en niet zozeer van een slecht geregisseerde serie lukrake gebeurtenissen) als de pleitbezorger van vals zingen in de klas.

Ik zal mijn lot waardig dragen, dat beloof ik.

30 maart 2021

Lezen of denken?

Lang geleden studeerde ik een tijdje filosofie. We hadden een hoogleraar wetenschapsleer die een beetje vreemd was. Het verhaal ging dat hij tijdens colleges de deur op slot draaide zodat hij zeker wist dat niemand voortijdig de zaal verliet. Ik heb colleges bij hem gevolgd. Nooit tentamen gedaan, geloof ik. Waar dat aan lag weet ik niet meer.

Ik herinner me dat hij op een gegeven moment zei dat we ons, als filosofen in doppen, oprecht zorgen moesten maken als we meer tijd besteedden aan lezen dan aan nadenken. Je moet meer tijd besteden aan het bedenken van je eigen denkbeelden dan aan het lezen van andermans denkbeelden.

Dat is een buitengewoon onvoorzichtige tip voor iedereen die een academische carrière nastreeft. Als academicus moet je immers laten zien dat je op de schouders van je voorgangers staat. Je moet weten welke kennis er al is, zodat je kunt 'werken aan de grenzen van het weten' zoals een Nederlandse universiteit pay-offt. Dus gaat er veel aandacht naar de literatuurverkenning, die liefst systematisch is. En is het toch altijd een beetje pijnlijk als je iets uitvindt dat al uitgevonden blijkt te zijn.

Dat was precies wat mij overkwam. Ik had bedacht, na lang nadenken (jaren), dat in het soort onderwijs dat ik voorsta (op subjectiveren gericht 'talentkrachtig' kunstonderwijs, maar dat doet er niet toe) eigenlijk maar drie dingen tellen: erkennen, ontmoeten en ontwikkelen. Toen gaf ik een gastcollege in een master-opleiding, en een student vertelde me na afloop enthousiast dat ze een boek kende uit het sociaal domein dat ging over talentgericht (!) werken met kwetsbare jongeren, en dat de ondertitel de woorden erkennen, ontwikkelen en verbinden bevatte.

Tsja.

Aan de ene kant denk je dan toch vooral van oeps. Waarom weet ik dat niet? Waarom heb ik dat boek niet gelezen? Waarom heb ik niet even mijn licht opgestoken in het sociaal domein? 

Aan de andere kant weet je het antwoord natuurlijk zelf wel: geen tijd voor gehad want te druk met zelf nadenken.

Ik weet eigenlijk niet wat nu het beste is. Ja, je moet veel lezen. Nee, je kunt onmogelijk alles lezen. Maar een ding weet ik wel zeker: je moet af en toe toch ook zelf nadenken. Ik krijg liever het verwijt bij het lezen iets gemist te hebben dan bij het denken.

En bovendien biedt de academische wereld dan ook weer troost. Er zwerven prachtige memes rond op internet over 'academia' (zoals wij academici ons holletje zo chique noemen). Zo is er een collage van onwaarschijnlijke voetnoten. En ik denk dat nummer vijf precies vat waar dit blogje over gaat. Ik hoop hem in de toekomst geregeld te gebruiken. En anders kan ik altijd nog mijn toevlucht nemen tot de laatste.

Afbeelding

04 maart 2021

Duurzaamheid na Corona?

Even een kattenbelletje over duurzaamheid. Dat duurzaamheid een belangrijk onderwerp is hoeft wat mij betreft geen betoog. Duurzaamheid is een breed begrip. Het gaat om ecologie en klimaat, natuurlijk. Maar ook bijvoorbeeld om sociale, economische en psychologische aspecten. 

Ik zie de duurzaamheidsvraag eigenlijk als niets anders dan de diachrone variant van de inclusiviteitsvraag. De vraag is: hoe gedragen we ons zo dat we deze wereld niet exclusief voor onszelf en onze eigen generatie houden, maar dat we toekomstige generaties includeren in ons handelen? Het gaat om inclusie van de toekomst in het heden. De duurzaamheidsvraag is daarmee de vraag naar toekomstbestendig handelen. Naar vormen van handelen die er op gericht zijn geen blijvende schade aan onze wereld aan te richten zodat ze in de toekomst gecontinueerd kunnen worden.

Die vraag is urgent. Nu Corona zoveel dingen heeft stilgelegd, vertraagd of veranderd hopen sommigen (ik bijvoorbeeld) dat ons dat de mogelijkheid geeft om even pas op de plaats te maken. Om ons af te vragen hoe we er voor kunnen zorgen dat de wereld na Corona niet al te sterk lijkt op de wereld voor Corona, qua duurzaamheid.

En met 'wereld' bedoel ik dan ook de cultuurwereld.

Maar dat gaat niet vanzelf. Kijk bijvoorbeeld eens naar de discussie over het nieuwe cultuurcentrum dat in de stad Groningen – mijn thuisbasis – moet verrijzen. Sinds 1973 kent de stad cultuurcentrum De Oosterpoort. De onderhoudskosten daarvan lopen op, de druk op het gebouw neemt toe, de overlast in de buurt door het bevoorradende verkeer evenzeer, en zoals dat tegenwoordig gaat is verbouwing dan al snel geen serieuze optie meer en wordt er gedacht aan nieuwbouw.

Inmiddels zijn de eerste plannen gepresenteerd. Het gebouw moet komen aan de zuidkant van het centraal station – bereikbaarheid per openbaar vervoer is in termen van duurzaamheid een absoluut pluspunt. Maar het gebouw moet wel veel groter worden dan het huidige. Het moet “een centrum worden voor onderwijs, amateurkunst en cultuureducatie”, en de capaciteit van de grootste zaal moet wellicht 3000 plaatsen worden in plaats van de huidige 1800. Kosten nieuwbouw: minimaal 145 miljoen euro.

Los van de vraag wat er precies duurzaam is aan het overbodig maken van een krap 50 jaar oud cultuurcentrum en het elders in de stad een nieuw en groter centrum bouwen – en dan bedoel ik zowel economisch duurzaam als ecologisch duurzaam – is de vraag vooral: waarom moet er een nieuw en groter centrum komen? Naast argumenten als ‘visitekaartje voor de stad’ en ‘het behouden van een plek bij de vijf belangrijkste Nederlandse cultuursteden’ gaat het vooral om het volgende: volgens dienstdoend wethouder Paul de Rook, een tijdje terug aan het woord in het Dagblad van het Noorden,

… is een nieuw muziekcentrum toch broodnodig, vooral om popartiesten van internationaal statuur naar de stad te kunnen halen. ”Popzalen in Nederland worden steeds groter, omdat artiesten zoveel mogelijk geld willen verdienen. Als grote internationale acts hier geen ruimte hebben, verliest de Oosterpoort de top van z’n verdienmodel en zakt de rest ook in elkaar."

Opvallend: de perceptie dat in de cultuursector de top de basis is (denk ook aan de verbazingwekkende term 'basisinfrastructuur' in ons cultuurbeleid). Als de top verdwijnt, zakt de rest ook in elkaar. Het argument voor die wethouderlijke waarneming is een economisch argument gekoppeld aan een passieve slachtofferhouding: topartiesten willen steeds meer geld verdienen, wij kunnen niet anders dan daarin meegaan. 

De cultuursector moet zich de vraag stellen of het duurzaam is om mee te waaien met die huidige politieke wind. Is duurzaamheid mogelijk in een laat-kapitalistisch neo-liberaal systeem waar het gaat om voortdurende groei en versnelling, om competitie, om 'winner-takes-all'-markten?

Ons meedraaien in dat systeem leidt er toe dat we in de cultuursector - althans in Groningen - inzetten op méér mobiliteit (meer concertbezoekers; meer duurbetaalde wereldsterren die met vliegtuigen van over de hele wereld worden aangevoerd om in Groningen te spelen) en méér mensen dicht op elkaar gepakt in één ruimte.

We weten dat onze ongebreidelde reislust een van de belangrijkste oorzaken van de huidige klimaatcrisis is. Maar we zetten in ons cultuurbeleid, gevoed door een marktgeoriënteerd supersterrensysteem, in op verdere versterking van die reislust. En we weten dat ons ongebreidelde reisgedrag gekoppeld aan onze neiging om in grote groepen bij elkaar te komen – iets wat wel moet omdat evenementen en locaties anders economisch immers niet uit kunnen – enorm heeft  bijgedragen aan het razendsnel uitgroeien van Corona tot een pandemie. Maar we zetten ons in ons cultuurbeleid in om in de toekomst nog meer mensen van nog verder weg bij elkaar te brengen.

Totaal ongerijmd.

Ik zou eenzelfde verhaal kunnen schrijven over de wens om het Groninger stadspark om te vormen van een regionale harddraverij naar een internationale evenementenlocatie voor groepen van het formaatje Rolling Stones. Of ik zou de voorbeelden kunnen uitbreiden naar andere steden. Aan de basis ligt de vraag: willen we doorgaan met een cultuursector die zich richt naar het idee dat het beste nooit goed genoeg is, dat groter nooit groot genoeg is, dat we ten koste van alles moeten groeien, en dat we bovenaan alle nationale en liefst mondiale ranglijstjes moeten staan? 

Of is het denkbaar dat we in ons denken over de toekomst van de cultuursector werk gaan maken van aandacht voor het kleinere, het regionale, het lokale? Zeker in een tijd waarin we leren dat digitalisering niet slechts een vloek is maar ook tot ongekende nieuwe mogelijkheden leidt, zouden we anders kunnen leren omgaan met toegang tot artistieke topkwaliteit. En als we niet steeds als een verwend kind het nieuwste en het beste willen hebben is het wellicht mogelijk om financiële middelen (bijvoorbeeld die 145 Groningse miljoenen) veel gedifferentieerder – en daarmee potentieel veel inclusiever – in te zetten.

Laten we Corona, die plaag die ons allen zo dwarszit, in ieder geval ook nog een beetje ten goede gebruiken door ons ook dit soort vragen te stellen. Anders weten we hoe het gaat: dan blijven we na Corona doen wat we voor Corona al deden, en krijgen we na Corona dus terug wat we voor Corona al hadden.